Inleiding 

Meer weten over dit onderdeel? Lees hier de inleiding.

Zorg voor de patiënt in de stervensfase is intensieve zorg. Essentieel hierbij is herkenning en erkenning van het naderend sterven van de patiënt door de zorgprofessionals en goede communicatie hierover met de patiënt en de naasten. Aandacht voor de waarden en wensen van de patiënt, een plan voor goede symptoombestrijding gedurende deze fase en aandacht voor zorg direct na het overlijden, verminderen angst en brengen rust voor alle betrokkenen. Het is dan ook belangrijk dat afspraken hierover zijn vastgelegd in het proactief zorgplan of in het Zorgpad Stervensfase en dat dit (elektronisch) beschikbaar is bij de patiënt.  

Standaard 1

Patiënten in de stervensfase worden tijdig herkend en het naderende sterven wordt op passende wijze besproken met de patiënt en de naasten. Het proactief zorgplan wordt hierop aangepast of het Zorgpad Stervensfase wordt gestart.

Standaard 2

Zorg na het overlijden is respectvol en doet eer aan de beleving van waardigheid, cultuur en levensbeschouwelijke overtuigingen van de patiënt en de naasten.

Criteria bij standaard 1

Bekijk hier de criteria om te voldoen aan de standaard.
  1. Aanwijzingen voor het vaststellen van de stervensfase zijn o.a.:  
    • de patiënt komt niet meer uit bed 
    • de patiënt is subcomateus 
    • de patiënt is slechts in staat slokjes te drinken 
    • de patiënt is niet langer in staat tabletten in te nemen 

      Het kan voorkomen dat deze verschijnselen al langer aanwezig zijn, zonder dat de patiënt stervende is of dat ze niet duidelijk aanwezig zijn, terwijl voor de betrokken zorgprofessionals wel duidelijk is dat de patiënt binnen enkele dagen komt te overlijden. Met nadruk wordt daarom opgemerkt dat het (multidisciplinair gevormde) oordeel doorslaggevend is voor de vaststellen van de stervensfase.  
  2. De zorg voor de patiënt in de stervensfase vergt tijd en aandacht voor de fysieke, psychische, sociale en zingevings-/spirituele processen zoals die zich in de loop van de stervensfase ontwikkelen. Daarbij worden afspraken gemaakt over bereikbaarheid en beschikbaarheid van de betrokken zorgprofessionals in geval van veranderingen op één van de vier dimensies.  
  3. De zorgprofessional is zich bewust van de waarden, wensen en behoeften van de stervende patiënt. De zorgen, angsten, hoop en verwachtingen van de patiënt in de stervensfase en de naasten worden eerlijk en indien gewenst in een open sfeer besproken op een manier die aansluit bij hun cultuur, leeftijd, spiritualiteit en sociale situatie. 
  4. De zorgprofessional bespreekt, indien dit niet reeds is gebeurd, met de patiënt dan wel met diens wettelijk vertegenwoordiger en/of naasten wat voor hen belangrijk is bij de afronding van het leven, zoals: 
    • de betekenis die de patiënt geeft aan het leven voltooien in waardigheid en de keuzes en beslissingen die daaruit voortvloeien 
    • gewenste plaats van zorg en sterven 
    • wensen en behoeften op fysiek, psychisch, sociaal en spiritueel gebied 
    • goed afscheid en uitvoeren van rituelen 
    • wensen en behoeften aangaande het stervensproces en betrokkenheid en ondersteuning van naasten en de praktische zaken vlak voor en na het overlijden 
  5. Huidige en te verwachten klachten en symptomen en mogelijkheden om deze te bestrijden, worden samen met de patiënt dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger en/of naasten besproken. De benodigde hulpmiddelen en medicatie worden (proactief) geregeld.  
  6. De zorgprofessional informeert de naasten over wat zij in deze fase kunnen verwachten, en hoe zij de patiënt daarin kunnen begeleiden op een wijze die aansluit bij hun cultuur, leeftijd, spiritualiteit en sociale context. In de loop van het stervensproces geeft de zorgprofessional uitleg over wat het lichaam aangeeft en welke veranderingen daarbij horen. De zorgprofessional adviseert over passende lichaamshouding en over voeding en vocht, waarbij het uitgangspunt is het natuurlijke proces te volgen en onnodig medisch ingrijpen te vermijden. Tevens ondersteunt de zorgprofessional naasten bij het herkennen van tekenen van het naderend sterven. De zorgprofessional heeft aandacht voor de draagkracht en draaglast van de patiënt en de naasten en biedt ondersteuning om mogelijke overbelasting te voorkomen of te verminderen. Zo nodig worden vrijwilligers ingezet. 
  7. Met de patiënt en de naasten wordt gesproken over het aanstaande verlies en (anticipatoire) rouw en welke reacties daarbij kunnen voorkomen. Al tijdens de laatste levensfase kunnen de patiënt en de naasten worden ondersteund bij het proces van afscheid nemen. Ook wordt besproken wat de mogelijkheden zijn voor professionele ondersteuning daarbij. Als de naaste een andere huisarts heeft dan de patiënt, wordt, indien nodig en met toestemming van de naaste, diens huisarts telefonisch geïnformeerd over het naderend overlijden van de patiënt.  
  8. Waar gepast, voert de behandelaar voor het overlijden een gesprek over zaken als obductie, orgaan- en weefseldonatie of terbeschikkingstelling van het lichaam aan de wetenschap. 
  9. Als er een indicatie is voor de start van palliatieve sedatie, zeker wanneer het gaat om continue palliatieve sedatie, moet de betekenis en uitvoering hiervan goed met de patiënt dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger en/of naasten worden besproken. Zo nodig kan bij palliatieve sedatie de hulp van een in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgprofessional worden ingeroepen. 
  10. De gemaakte afspraken voortvloeiend uit het zorgproces, inclusief een plan voor goede symptoombestrijding, worden vastgelegd in het proactief zorgplan of het Zorgpad Stervensfase, regelmatig geëvalueerd en zo nodig herzien.  
  11. Alle betrokken zorgprofessionals, in het bijzonder de behandelaar in de tweede- of eerstelijn, worden zo snel mogelijk geïnformeerd door de hoofdbehandelaar over de stervensfase of het overlijden van de patiënt. Persoonlijk telefonisch contact gaat, bij voorkeur, vooraf aan een schriftelijk bericht.

Criteria bij standaard 2

Bekijk hier de criteria om te voldoen aan de standaard.
  1. De naasten ervaren ruimte om op een voor hun gepaste manier afscheid van hun dierbare te nemen. Hen wordt gevraagd of zij de laatste zorg aan hun dierbare willen geven. Indien zij dit wensen, worden zij hierbij ondersteund door zorgprofessionals. 
  2. De naasten wordt de gelegenheid geboden om levensbeschouwelijke of cultuurspecifieke rituelen uit te voeren. Indien gewenst kunnen zij daarbij worden ondersteund.
ㅤ
Regiehouder: Palliactief
Vastgesteld op: