4.1 Fysieke Dimensie

Inleiding

Meer weten over dit onderdeel? Lees hier de inleiding.

De basis van palliatieve zorg ligt in het fysieke welbevinden en een effectieve behandeling van lichamelijke klachten. Deze zorg is essentieel voor de psychische, sociale en spirituele kwaliteit van leven en vormt daarom een integraal onderdeel van het palliatieve zorgplan.  

Symptoommanagement volgt zo veel mogelijk de voor palliatieve zorg geldende richtlijnen met aandacht voor doeltreffendheid, doelmatigheid en medicatieveiligheid. Het doel is om met de behandeling de symptoomlast te verlagen tot een voor de patiënt acceptabel niveau. Het (fysiek) welbevinden van de patiënt dient hierbij regelmatig te worden geëvalueerd. Zo mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van (gevalideerde) meetinstrumenten.  

Symptomen komen veelal op hetzelfde moment wat beoordeling en behandeling complex maakt. Dit vraagt om een multidimensionele en interdisciplinaire benadering, waarbij zo nodig de hulp van in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgprofessionals en specifieke expertise, zoals bijvoorbeeld van apothekers kan worden ingeroepen.  

Veelvoorkomende symptomen in de palliatieve zorg zijn pijn, vermoeidheid, algehele zwakte en kortademigheid, evenals misselijkheid, braken, anorexie, cachexie, obstipatie en diarree. Ook urologische klachten (incontinentie en urineretentie), vochtophoping, hoesten, jeuk, een droge mond en reutelen komen frequent voor. Daarnaast is er specifieke aandacht voor neuropsychiatrische en psychische symptomen, waaronder delier, agitatie, depressie, angst, slaapstoornissen en probleemgedrag bij dementie. Tot slot vormen huid- en wondzorg een essentieel onderdeel van de behandeling.  

Standaard

De fysieke symptomen van een patiënt met een levensbedreigende aandoening of toenemende kwetsbaarheid worden volgens geldende richtlijnen en inzichten behandeld, waarvan op grond van kennis en kunde gefundeerd mag worden afgeweken en waarbij behandeling is afgestemd op de individuele patiënt. De hiervoor benodigde (hulp)middelen (zoals medicatie, subcutane pompen of een hoog-laag bed) dienen in voldoende mate voorhanden te zijn.

Criteria

Bekijk hier de criteria om te voldoen aan de standaard.
  1. Het doel van symptoombehandeling is het op passende en veilige wijze verlagen van de symptoomlast tot een voor de patiënt acceptabel niveau. 
  2. De complexiteit van gelijktijdige symptomen vereist een multidimensionele en interdisciplinaire aanpak. Indien de situatie daarom vraagt, wordt tijdig de hulp ingeroepen van in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgprofessionals. 
  3. De zorgprofessional verkent de persoonlijke waarden, wensen en behoeften van de patiënt en diens naasten om het fysiek welbevinden te bevorderen en de eigen regie optimaal te ondersteunen, zoals:  
    • eten en drinken 
    • inspanning en ontspanning 
    • zelfzorg en (lichamelijke) verzorging 
    • mobiliteit 
    • dag- en nachtritme 
    • privacy 
    • intimiteit en seksualiteit  
  4. Voor het verlenen van optimale zorg is het van belang dat de patiënt en de naasten door de behandelaar of centrale zorgverlener tijdig en passend zijn voorgelicht over de aard van de ziekte of kwetsbaarheid en de prognose. Deze informatie stelt de patiënt in staat om de consequenties van zijn situatie te overzien en weloverwogen keuzes te maken. De voor- en nadelen van (niet-)behandelkeuzes worden afgewogen tegen de persoonlijke waarden, wensen en behoeften van de patiënt. Dit geldt ook voor het staken van medicatie die niet langer zinvol is.  
  5. De zorgprofessional signaleert en inventariseert samen met de patiënt en de naasten de huidige symptoomlast en anticipeert op eventueel te verwachten symptomen. De zorgprofessional beoordeelt, zo mogelijk met (gevalideerde) meetinstrumenten, het fysiek functioneren en bepaalt de aard, ernst en mogelijke risico’s op dit gebied. In overleg met de patiënt en de naasten worden passende, zo nodig ook anticiperende interventies opgesteld, vastgelegd en uitgevoerd. Het advies gaat bij voorkeur gepaard met een stappenplan voor voortgaande behandeling bij toename van klachten of symptomen. 
  6. Behandeling van symptomen en bijwerkingen kan bestaan uit niet-medicamenteuze, medicamenteuze en invasieve interventies, eventueel ondersteund met complementaire zorg. Het effect van de ingestelde behandeling op het welbevinden van de patiënt dient hierbij regelmatig geëvalueerd en zo nodig te worden herzien. 
  7. De inzet van mantelzorgers en vrijwilligers gebeurt altijd op basis van vrijwilligheid: 
    • Mantelzorgers krijgen de nodige instructies en ondersteuning om fysieke zorg te bieden, mits zij hiertoe bereid en in staat zijn. Zij dragen de verantwoordelijkheid die past bij hun persoonlijke band met de patiënt en hun eigen draagkracht. 
    • Vrijwilligers worden specifiek toegerust voor hun taken binnen de kaders van hun organisatie. Hun inzet en aansprakelijkheid zijn begrensd door hun specifieke taakomschrijving en deskundigheid. 
    • Beide groepen weten hoe te handelen of wie te alarmeren in noodsituaties.  
  8. De zorgprofessional besteedt gericht aandacht aan het wegnemen van misvattingen en barrières rondom medicatiegebruik. In het bijzonder bij de inzet van opioïden en sedativa worden feiten en fabels proactief besproken met de patiënt en diens naasten, zoals:  
    • verslavingsrisico 
    • ademdepressie 
    • het bespoedigen van het sterven, ook in relatie tot euthanasie, hulp bij zelfdoding en palliatieve sedatie 
    • eventueel andere vermeende bijwerkingen  
  9. Gemaakte afspraken voortvloeiend uit het zorgproces worden vastgelegd in het proactief zorgplan dat bij de patiënt aanwezig is. 
ㅤ
Regiehouder: Palliactief
Vastgesteld op: